Press room

Bouwscholen geven combinatie van leren en werken amper kansen

Integratie in scholen cruciaal om van alternerend leren en werken volwaardige leerweg te maken

Deze week wordt binnen de Vlaamse regering, met sectororganisaties en onderwijskoepels gedebatteerd over de mogelijke uitbreiding van het alternerend leren en werken in de scholen van het secundair onderwijs. Intussen zijn er al ongeveer 650 erkenningsaanvragen van bouwbedrijven gekomen om jongeren deels zelf op te leiden via een overeenkomst alternerende opleiding (OAO). Maar in de bouw blijft het alternerend leren en werken beperkt tot centra voor deeltijds onderwijs (CDO’s) en Syntra. De scholen die traditioneel voltijds onderwijs aanbieden, blijven hun deuren ervoor sluiten. De Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) is ontgoocheld dat scholen niet willen meewerken om van alternerend leren en werken een volwaardige leerweg te maken.

Tot eind augustus golden in de bouw grosso modo twee types van alternerende opleidingen: het ILW (industrieel leerlingwezen) dat in de bouw het ‘jongerenleerlingwezen’ werd genoemd, en de leertijd. Beide types van contracten liepen dan ten einde. Zij werden vervangen door overeenkomsten alternerende opleiding (OAO’s). In tegenstelling tot voorheen is de vergoeding voor de leerlingen met een OAO dezelfde voor alle sectoren. Voorheen hanteerden sectoren uiteenlopende vergoedingen. Maar in het algemeen zijn de OAO’s een voortzetting van het ILW en de leertijd, weliswaar onder een andere naam en met enkele nieuwe modaliteiten.

Ook op sectoraal vlak bleven een aantal principes gehandhaafd, onder meer rond het aantal leerlingen dat een bedrijf en een mentor kan begeleiden. In principe voorziet de bouwsector in één leerling per mentor. Om de kwaliteit van het leren in het bedrijf te verbeteren gaat de sector er meer dan voorheen op aandringen dat de mentor een opleiding volgt en de werkplek voldoende veilig is.  Maar uiteindelijk blijven de OAO’s nog altijd overwegend plaatsvinden bij CDO’s en Syntra, zoals dat met het ILW en de leertijd het geval was.

650 erkenningsaanvragen van bouwbedrijven

Bouwbedrijven blijven bereid om mee te helpen bij de opleiding van jongeren op de werkplaats. Voor de organisatie van OAO’s in samenwerking met CDO’s en Syntra hebben bouwbedrijven al zo’n 650 erkenningsaanvragen ingediend. Die zouden moeten leiden tot een 500-tal OAO’s. Om het alternerend leren en werken in de scholen tegen te gaan schermen onderwijsmiddens graag met het argument dat er mogelijks een gebrek aan werkplekken zou zijn. Dit argument gaat bij de bouw zeker niet op.

De VCB begrijpt niet waarom technische scholen die voltijds onderwijs aanbieden, zo huiverig staan tegenover het alternerend leren en werken als volwaardige leerweg. Met het zogenaamde ‘duaal leren’ was het toch de bedoeling dat de alternering tussen leren en werken een positieve keuze zou worden, volledig in het secundair onderwijs zou worden geïntegreerd en niet enkel aan CDO’s en Syntra zou worden overgelaten. Maar in de bouwscholen is van het duaal leren tot nu toe haast niets terechtgekomen. Momenteel zitten in de Vlaamse bouwscholen amper 5 leerlingen in een duaal proeftraject voor de ruwbouw.

Weinig verandering in 2017?

Marc Dillen, directeur-generaal van de VCB: “Ten gronde is er in Vlaanderen weinig veranderd. Hoogstens kregen ILW en leertijd een nieuw kleedje. Leerlingen met een OAO zitten nog altijd apart van die van het voltijds secundair onderwijs. Ze studeren waar vroeger de leerlingen met een ILW- en leertijdovereenkomst zaten. De doorbraak van alternerende leervormen in scholen die voltijds secundair onderwijs aanbieden, is er nog niet gekomen. Deze week spreekt de Vlaamse regering over een uitbreiding van de proefprojecten voor duaal leren. Maar op basis van de voorstellen die nu voorliggen, dreigt de bouw andermaal uit de boot zal vallen. Het belangrijk leerpotentieel bij de Vlaamse bouwbedrijven blijft daardoor onbenut.”