Press room

Bouw verwacht veel van ambitieuze publieke investeringsnormen

Doortastende investeringspolitiek noodzakelijk om historische achterstand in infrastructuur weg te werken

Naar aanleiding van de start van het politieke en economische jaar gisteren bij Voka heeft Vlaams Minister-President Geert Bourgeois bekend gemaakt dat de Vlaamse overheden – regionale, provinciale en gemeentelijke – gezamenlijk meer dan 3 % van het BBP in Vlaanderen investeren in publieke voorzieningen. Bovendien stelt hij een ambitieus groeipad in het vooruitzicht. Vandaag heeft de federale regering op zijn beurt een stijging van de publieke investeringsgraad aangekondigd. Positief en hoogstnoodzakelijk aangezien de huidige investeringen ontoereikend zijn om de natuurlijke slijtage aan infrastructuur tegen te gaan. Naast het belang van een ambitieuze, volgehouden investeringsnorm op de verschillende beleidsniveaus, is het transparant afstemmen en samenwerken van de federale, regionale en lokale overheden een must om te kunnen spreken van een doortastende investeringspolitiek. De urgentie blijkt nog maar eens uit het stagneren van de gemeentelijke investeringen tijdens dit verkiezingsjaar, een periode die zich doorgaans kenmerkt door een piek in nieuwe investeringen.   

Net zoals de Nationale Confederatie Bouw eerder vandaag heeft beklemtoond, investeren de verschillende overheden in ons land momenteel gezamenlijk jaarlijks 2,4 % van het BBP in publieke voorzieningen. Dit terwijl buurlanden als Frankrijk en Nederland elk jaar bijna 4 % investeren van hun BBP. Op die manier heeft ons land sinds de jaren 80 een achterstand opgebouwd, nefast voor het economische weefsel en de welvaart. Niet het minst de verkeersinfrastructuur blijkt het kind van de rekening en bijgevolg o.a.  de mobiliteit van eenieder en de logistieke rol van onze regio. De gezamenlijke investeringen in verkeersinfrastructuur in ons land liggen beduidend onder het gemiddelde van 1 % BBP in de Eurozone. Zeker in vergelijking met de investeringsnormen in  Nederland en Frankrijk, respectievelijk 1,6 en 1,3 % van hun BBP. 

Op korte termijn bieden de signalen op gemeentelijk niveau weinig beterschap. Uit de recente studie ‘Lokale Financiën’ van Belfius blijkt dat zelfs het huidige verkiezingsjaar niet leidt tot een veel hogere investeringsgraad waardoor sprake is van verdere stagnatie. Het werkelijk investeringsniveau heeft daarbij ook te lijden onder vertragingen als gevolg van o.a. lastige vergunningsprocedures en bewonersprotesten. De conclusie van Belfius luidt dat die evolutie op lokaal niveau nefast is voor de aantrekkelijkheid van ons land en voor de economische groei op korte en halflange termijn. 

Naast het belang om kwaliteitsvolle infrastructuur – zoals bruggen, wegen, duikers, publieke gebouwen enz. – als een goede huisvader in stand te houden, zijn publieke investeringen vanuit een economisch perspectief katalysatoren voor verdere economische groei. Die investeringen generen dan ook jobs maar ook inkomsten voor de overheid. Een minimale investeringsnorm voor de gezamenlijke overheid in ons land – vergelijkbaar met investeringsgraad in de ons omringende landen Nederland en Frankrijk – lijkt daarom noodzakelijk om de historisch opgebouwde achterstand goed te maken. En de infrastructuur in ons land kwaliteitsvol te houden en verder uit te bouwen in functie van de logistieke ambities die onze regio nastreeft. Naast een beduidend hogere publieke investeringsgraad, is een doordachte en transparante rolverdeling tussen de verschillende overheden essentieel om de schaarse middelen optimaal in te zetten.